Aan boord bij Gerda van Zelst

Als je vanaf de Buiksloterdijk bij het parkeerplaatsje een steile trap afdaalt kom je in de tuin van Gerda en Wout van Zelst. Langs de vrolijke volière kom je bij een dubbele deur die altijd open staat. Gerda woont hier al vanaf 1965 en is actief in het WBK vanaf het eerste uur. Bij een kopje koffie vertelt ze ons graag over de eerste jaren van haar woonbotenbestaan en het ontstaan van het WBK.

“We woonden al 2 jaar bij onze ouders op een kamertje. Je kon in die tijd heel moeilijk een woning krijgen. Wout zag een tjalk te koop. Ik vond het eigenlijk helemaal niks. Ik wilde helemaal niet op een boot wonen. Maar Wout zette door en we hebben hem gekocht voor 3500 gulden. Je moet rekenen: je kreeg geen dubbeltje in die tijd, je moest het helemaal zelf financieren. De ouwe Bos, vader van Willem, heeft gezorgd voor een vergunning op deze plek, want eigenlijk moest je in die tijd eerst naar een wachtplaats.

Ik was er één keer in geweest en ik dacht: dit vind ik niks! Er zaten allemaal van die kleine hokkies in. Het was een vrachtschip en een gedeelte van het ruim was bewoonbaar gemaakt. We hebben hem toen helemaal gesloopt en er een opbouw opgezet van 14×4. Wout deed alles zelf, maar gelukkig hebben we ook hulp van familie en vrienden gehad.

Toen we er 9 jaar op gewoond hadden ging ie lek. Hij is wel gelast, maar was toch ook een beetje te klein geworden, dus toen gingen we op beton. En we wilden ook gelijk twee verdiepingen. Dat was helemaal nieuw in die tijd.

De bak is in Broek in Waterland gestort. Hij kon maar 4.50 m breed omdat hij anders niet door de sluizen kon. Mijn hele familie bestond uit metselaars, dus die hebben de benedenverdieping erop gemetseld. Ze hadden de onderste kozijnen erin gezet en toen is hij hier gekomen. We hebben hem hier helemaal afgebouwd, het heeft nog een jaar geduurd. We konden ook toen geen hypotheek krijgen, dus we moesten allebei een baantje erbij hebben en aan het eind van de maand kwam het geld en dan konden we weer verder bouwen. Eerst waren de badcel en wc klaar, want we moesten elke week met z’n 4en bij mijn ouders douchen. We woonden in de benedenverdieping. Op de bovenverdieping had ik een kast met potten en pannen en een tafel waar we van aten . En voor de rest stonden er de zaagmachines achter een stuk plastic.

In 1974 begon het gelazer met de schuurtjes. Er liep een commissie van raadsleden van de gemeente langs de dijk en die zeiden: gut, er liggen woonboten, en ze hebben allemaal schuurtjes… Hoe kan dat nou toch allemaal. Ze vonden het niet netjes, die schuurtjes moesten maar weg. Ze zouden met ons gaan praten. Toen was het tijd om het WBK op te richten. We hadden een oproep verspreid en in het buurthuis in de Banne kwamen heel veel mensen, ook uit andere delen van Noord zoals de Grasweg.
Ik ben de enige die nog over is van die groep. Ik was toen nog niet in het bestuur, maar er wel altijd bij. Toen er een bestuurswisseling was, zochten ze een voorzitter en ze zeiden neem jij dat maar even tijdelijk over. Dat tijdelijk werd blijven en ik doe het nog steeds nu als secretaris.
Er bleken heel veel mensen te zijn met vragen en klachten en we hebben veel bereikt in die tijd. Er kwamen na jaren van besprekingen en brieven schrijven aansluitingen voor water en elektra. Samen met Henny de Graaf hebben wij deelgenomen aan het comité in de stad voor de actie‘Geef gas’ en zo waren wij uiteindelijk na twee jaar van onderhandelen de eerste woonboten die op aardgas werden aangesloten.

We hebben een zaak gehad met het Hoogheemraadschap, die zeiden we willen die woonboten daar niet. Ze moeten maar weg. We hadden gesprekken met een dijkgraaf en een raadsvrouw van de gemeente. Ze hadden in Purmerend alles schoongeveegd en datzelfde wilden ze hier doen. Wij zeiden: als je oorlog wilt, moet je dat hier ook doen. Het heeft uiteindelijk twee jaar geduurd, maar we hebben glansrijk gewonnen.
Je denkt altijd het zal wel eens rustig worden, maar het wordt nooit rustig. De geschiedenis herhaalt zich steeds. Het blijft altijd terugkomen. De schuurtjes moeten alsmaar weg, er is steeds gezeik over de tuintjes.

Ik kan niet tegen onrechtvaardigheid. In het begin hielp ik iedereen met alle bezwaarschriften. Nu hoop ik dat ze zelf rechtsbijstand hebben. Je moet steeds een lange adem hebben, maar het kost me 10 uur in de week en en dat is 10 jaar van mijn leven zeg ik wel eens voor de grap. Ik heb 8 ladekasten vol met dossiers staan en ik weet, denk ik, veel meer dan de mensen van het stadsdeel. Het blijkt dat ze fouten maken, verkeerde vergunningen verstrekken, de mensen hebben soms geen idee. Dan zit zo’n ambtenaar daar 3 maanden en dan komt er weer een nieuwe en die wil het wiel weer uitvinden.
Als Wout me niet gesteund had, had ik het nooit al die jaren kunnen volhouden. We hebben veel bereikt. Maar als iemand nu zegt ik ga dat morgen doen en ik stort me er volledig in, dan ga ik van mijn welverdiende pensioen genieten.

Die dijkgraaf zei toen: we gaan er met een bulldozer overheen en zo denken sommige eigenwijze ambtenaren nog steeds. Wij zijn hun een doorn in het oog. Iedereen moet maar huisje boompje beestje. Al merk ik de laatste tijd ook wel dat het stadsdeel de inbreng en deskundigheid van het WBK waardeert. Ik ga in ieder geval door tot er een goede en betaalbare regeling voor de tuinen is. En dan ga ik het toch echt wat rustiger aan doen!”